Missie, visie en referentiekader

Missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie, geschreven referentiekader

Inhoudstafel

  1. Algemeen. 1
  2. Vertrekpunt: de problematiek van personen met NAH.. 4
  3. Specifiek zorgverleningsconcept: onze doelstellingen en strategie. 5

3.1. Pijlers van het zorgverleningsconcept 5

3.1.1. Zinvolle dagbesteding en sociaal contact 5

3.1.2. Neurocognitieve en neuromotorische revalidatie. 5

3.1.3. Familiebegeleiding. 6

3.1.4. Maatschappelijke participatie en (re-)integratie. 7

3.2. Therapeutische uitgangspunten. 8

3.2.1. Eclectische en doelgerichte inzet van therapeutische concepten. 8

3.2.2. Transdisciplinaire setting. 9

3.2.3. Werken in ADL-situaties. 10

3.2.4. Individuele therapie versus groepstherapie. 10

3.2.5. Nastreven van normaliteit 11

3.3. Concrete uitwerking van het concept: het therapieplan. 11

3.3.1. Opvang en begeleiding in de ‘pool’ 11

3.3.2. Individuele therapie en begeleiding. 12

3.3.3. Groepsactiviteiten. 13

1.  Algemeen

De missie van het Therapeutisch dagcentrum Eindelijk is de opvang, begeleiding en de revalidatie van personen met een niet-aangeboren hersenletsel met het oog op de uitbouw van een kwaliteitsvol leven. (1.4.1, 1.4.2)

Onze missie en visie worden ook geëxpliciteerd in de naam en het symbool van Eindelijk

Enerzijds drukt de naam EINDELIJK de vervulling van een verzuchting uit: eindelijk wordt de doelgroep van personen met een NAH (h)erkend, eindelijk voorziet de subsidiërende overheid voor opvangmogelijkheden voor personen met een niet-aangeboren hersenletsel, eindelijk bestaat het Therapeutisch dagcentrum Eindelijk.

Anderzijds is het ei een symbool van nieuw leven. De persoon met een NAH start na zijn trauma een nieuw en een ander leven dan voorheen. Hij komt na weken of maanden uit de coma, hij komt uit de beslotenheid van het ei en moet opnieuw een eigen leven beginnen, weliswaar een leven met handicaps en beperkingen. Maar een kuiken moet groeien, groeien tot een volwaardige haan of hen. Het kuiken drukt dus de groei- en ontwikkelingskansen van de persoon met een NAH uit. En dát duidt de missie van ons Therapeutisch dagcentrum: wij moeten de persoonlijke groei van onze cliënten stimuleren en met hen een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven nastreven.

Het dagcentrum heeft vanuit de kennis van de problematiek van NAH een eigen toonaangevende visie uitgewerkt en stelt ten aanzien van onze doelgroep volgende doelstellingen voorop :

  • zinvolle dagbesteding en sociaal contact
  • neurocognitieve en neuromotorische revalidatie
  • familiebegeleiding
  • maatschappelijke participatie en (re-)integratie

De strategie om deze doelstellingen te realiseren staat verder beschreven onder de titel ‘Specifiek zorgverleningsconcept’ (cfr. 3.2).

Met dit zorgverleningsconcept vertrekken we vanuit de specifieke problematiek van de persoon met een NAH zelf en werken we op een geëigende manier aan de beperkingen van deze persoon met het ultieme doel zijn participatie en integratie in de maatschappij te bevorderen. (2.1)

De gehele zorgverlening vertrekt vanuit waarden als: (1.3;3)

  • Integriteit
  • respect voor de eigenheid van de cliënt, (1.3). zonder hem te discrimineren op vlak van sociale status, etnische afkomst, seksuele geaardheid, politieke, godsdienstige of ideologische overtuiging, mentaal niveau, gedrag of attitudes.
  • respect voor de problematiek van NAH met de daaraan gekoppelde stoornissen, handicaps en beperkingen, maar evenzeer met respect voor de resterende mogelijkheden en gericht op een maximale zelfontplooiing.

 

  • Betrokkenheid

De zorgverlening is gekenmerkt door een grondhouding van vertrouwen, empathie, echtheid en door een open, eerlijke en aangepaste communicatie.

  • Respect voor de privacy

De persoonlijke levenssfeer van de cliënt wordt afgeschermd voor externen.

Geschreven referentiekader

De realisatie van deze waarden wordt in de praktijk gegarandeerd door volgend referentiekader.

  • Integriteit
  • In alle interventies en in de omgang met de cliënt en zijn familie moet er respect zijn voor hun eigenheid in al zijn aspecten. Dit is een basisvaardigheid die van elk teamlid impliciet wordt verwacht en expliciet wordt bevraagd in functioneringsgesprekken.
  • Sociale controle, open communicatie en feedback in het team (briefing, cliëntbesprekingen, werk- of evaluatievergaderingen) moeten deze respectvolle houding waarborgen. Moeilijke onderwerpen of incidenten zijn steeds bespreekbaar.

Teamleden verlenen mekaar inzicht en onderlinge steun in de niet altijd zo makkelijke omgang met personen met NAH en hun families.

  • Ook in het tevredenheidsonderzoek wordt bij de cliënten/families gepeild naar de respectvolle bejegening. Mogelijks kunnen verbeterpunten hieruit voortvloeien.
  • Respect hebben voor en aanvaarding van de problematiek van NAH veronderstelt enerzijds specifieke kennis van de oorzaken en gevolgen van NAH en anderzijds knowhow over de gepaste (therapeutische) aanpak van deze specifieke problematiek. Zodoende worden de mogelijkheden van de cliënt maximaal ontwikkeld. In dit kader is ons uitgeschreven zorgverleningsconcept belangrijk. Continue vorming (o.a. via workshops) en coaching van het team en van de cliënt/families is noodzakelijk.
  • Heel in het bijzonder is de integriteit van de cliënt richtinggevend in de procedure ‘Het voorkomen van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag t.a.v. cliënten’.
  • Betrokkenheid
  • De betrokkenheid van de individuele cliënt wordt gerealiseerd door regelmatig overleg met de cliënt en zijn familie, door het permanent bevragen van zijn behoeften, wensen, noden en tevredenheid, door het correct afhandelen van klachten en door het planmatig en methodisch uitwerken van een zorgverleningsplan. Hiertoe is interne communicatie en overleg noodzakelijk. Belangrijke spilfiguren in de communicatie met de cliënt/familie zijn respectievelijk de verantwoordelijke therapeut en de zorgcoördinator.
  • Daarnaast krijgen de cliënten in de wekelijkse gespreksgroepen de kans om hun opmerkingen, vragen, suggesties, ideeën te formuleren. Deze worden via de briefing besproken en waar haalbaar of wenselijk gerealiseerd door het team.
  • Tevens is het gebruikersoverleg een collectieve overlegvorm waarbij de vertegenwoordigers van cliënten/families betrokken worden bij de kwaliteitsvolle uitbouw van de voorziening.
  • Betrokkenheid impliceert een afstemmen van de communicatie op de eigenheid van de cliënt / familie. Deze afstemming gebeurt door bv. het dagboek, door op vraag van de cliënt samen administratieve formaliteiten of vragenlijsten in te vullen, door in een individueel gesprek of in de gespreksgroep een aangepast (eenvoudig) taalgebruik te hanteren, door het toepassen van ‘totaalcommunicatie’ met klankinductie, letters spellen, woorden of zinnen schrijven of gebaren maken (vb duim omhoog of omlaag) bij personen met afasie, door herhalingen, notities, reminders bij personen met geheugenproblemen.
  • Respect voor de privacy
  • Dit houdt in dat er discreet wordt omgegaan met gegevens van de cliënt. De cliëntdossiers worden in een dossierkast bewaard zodat ze niet in handen van onbevoegden komen.
  • Vertrouwelijke informatie en verslagen worden pas opgevraagd aan externen of opgestuurd na een schriftelijke toestemming van de cliënt/familie (Protocol van behandeling en verblijf).

Dezelfde regel geldt ook voor het gebruik van foto’s en videomateriaal.

  • Zowel het personeel, als de stagiairs en vrijwilligers dienen het beroepsgeheim te respecteren. Zij worden van bij de aanwerving gewezen op de ‘Wet op de privacy’.
  • Heel in het bijzonder is het respecteren van de privacy belangrijk in de procedure ‘Het voorkomen, detecteren van en gepast reageren op grensoverschrijdend gedrag geweld t.a.v. cliênten’.

Dit referentiekader van waarden staat verder impliciet en expliciet algemeen beschreven in het ‘charter van collectieve rechten en plichten’ en wordt heel specifiek beschreven in de instructies ‘Omgangsvormen betreffende personen met een niet-aangeboren hersenletsel’, ‘Basisregels bij etensbegeleiding van personen met een slikstoornis’, ‘Afspraken stagiairs’ en ‘Concrete aandachtspunten per cliënt’.

2.  Vertrekpunt: de problematiek van personen met NAH

 

Personen met een niet-aangeboren hersenletsel (NAH) worden op het ogenblik van hun trauma plots geconfronteerd met een breuklijn in hun leven: vóór hun hersenletsel hebben zij een ‘normaal’ leven geleid; zij stonden er midden in. Ná het hersenletsel verloopt hun leven helemaal anders, gehypothekeerd door handicaps en beperkingen. De persoon met een NAH heeft vaak niet één, maar meerdere beperkingen en handicaps opgelopen ten gevolge van het hersenletsel.

We stellen naast de voor iedereen zichtbare motorische handicaps (spasticiteit, halfzijdige verlamming, tetraplegie, ataxie,…) ook talrijke neuropsychologische deficiten vast.

Deze neuropsychologische uitvallen zijn zeer complex en kunnen zich manifesteren op verschillende gebieden zoals de waarneming, de aandacht en het geheugen, de initiatiefname, de planning en de organisatie, de oriëntatie in tijd en ruimte, de praxie, de taal, de spraak en de communicatie, het gedrag, de emoties en de persoonlijkheid. Vaak doet zich ook epilepsie voor.

Het zijn eerder de neuropsychologische deficiten dan de motorische die de persoon met een NAH doen disfunctioneren in het dagdagelijks leven.

Deze handicaps en beperkingen hebben voor de personen met een NAH vaak het abrupt verlies van een aantal rollen voor gevolg: zij kunnen niet meer fungeren in het onderwijs- of in het professioneel milieu; soms is het zelfs niet meer mogelijk om hun rol als partner of als ouder terug adequaat op te nemen.

Na de eerste intensieve medische zorgen en de postacute revalidatie verblijven deze personen dan ook vaak thuis. Ze raken sociaal geïsoleerd. Bovendien verliezen personen met een NAH door het gebrek aan arbeid of aan zinvolle bezigheden, vaak elk gevoel aan eigenwaarde. Zij hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfrealisatie en kennen zelden een succesbeleving.

De opvang van en de continue zorg voor personen met een NAH is zeer belastend voor het thuismilieu. Om het verblijf thuis voor de mantelzorg haalbaar / draagbaar te maken is de organisatie van dagopvang voor personen met een NAH noodzakelijk.

Gezien de complexe motorische en neuropsychologische problematiek moet de dagbesteding van personen met een NAH therapeutisch begeleid worden. Deze therapeutische begeleiding bestaat er in om de voorwaarden te scheppen waarbij de persoon met een NAH toch zelf activiteiten kan uitvoeren, waartoe hij anders zelfstandig niet in staat is.

Via een specifiek zorgverleningsconcept beogen we enerzijds de aanpak van de functiestoornissen en -beperkingen die het gevolg zijn van het hersenletsel. Deze aanpak draagt bij tot een beter algemeen functioneren van de cliënt, tot een beter gevoel van eigenwaarde en uiteindelijk tot een betere participatie en integratie in de maatschappij.

Anderzijds gaat onze zorg ook naar de familie zodat het voor hen haalbaar blijft om hun familielid met een NAH thuis op te vangen.

3.  Specifiek zorgverleningsconcept: onze doelstellingen en strategie(1.4.)

3.1.  Pijlers van het zorgverleningsconcept

 

Als antwoord op de bovenvermelde problemen bij personen met een NAH hanteert het Therapeutisch dagcentrum Eindelijk een specifiek zorgverleningsconcept dat rust op vier pijlers zijnde: (1.4.1, 1.4.2)

  • zinvolle dagbesteding en sociaal contact
  • neurocognitieve en neuromotorische revalidatie
  • familiebegeleiding
  • maatschappelijke participatie en (re-)integratie

3.1.1.  Zinvolle dagbesteding en sociaal contact (1.4.2, 2.1)

De zinvolle dagbesteding is zowel een doel op zich als een therapeutisch medium, waardoor we de mogelijkheden van onze cliënten kunnen observeren en in de concrete situatie therapeutisch kunnen begeleiden. We bieden geen specifieke atelierwerking aan, maar de gewone dagdagelijkse activiteiten als koken, strijken, timmeren, tuinieren, sporten, creatief bezig zijn, …

Het feit van naar het dagcentrum te kunnen komen, geeft voor heel wat cliënten terug zin aan hun leven; zij kunnen opnieuw een rol opnemen. Het biedt ook de mogelijkheid om daardoor uit hun sociaal isolement te raken. Er zijn contacten met lotgenoten en hun families, met de therapeuten, met stagiairs, vrijwilligers en bezoekers. Tijdens therapieën buitenshuis verplaatsen we ons naar openbare plaatsen (sporthal, fitness, adventure therapie,…).

3.1.2.  Neurocognitieve en neuromotorische revalidatie (1.4.1,

1.4.2, 1.4.3, 3.2)

Revalidatie bij NAH blijft een continue, levenslange opdracht, niet alleen om de resultaten van de vroegere postacute revalidatie te behouden en terugval te vermijden, maar zeker ook om gestage verbetering te realiseren. Het blijft de permanente opdracht om met de cliënten therapeutisch te werken aan hun motorische-, taal-, spraak- en communicatieproblemen, aan hun waarneming, geheugen, organisatie, planning en hypothesevorming en zeker ook aan de gedrags- en emotionele problemen. We proberen de cliënten zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren, we proberen het maximum van hun mogelijkheden te benutten en dit alles via dagdagelijkse activiteiten.

Eindelijk is een ‘Therapeutisch dagcentrum’. In elke activiteit en in ‘het omgaan met’ willen we bewust een therapeutische klemtoon leggen. Daarom noemen we diegenen die naar het dagcentrum komen ‘cliënten’ (en niet ‘gasten’ of ‘gebruikers’) en het personeel dat er werkt ‘therapeuten’ (en niet ‘opvoeders’). Er is een wederzijds engagement en een gedeelde verantwoordelijkheid: we werken met beide partijen aan de restletsels en de gevolgen van het hersenletsel, we bouwen een therapeutische relatie uit.

Enerzijds is de revalidatie gebaseerd op een aantaI therapeutische uitgangspunten die verderop beschreven staan (eclectische en doelgerichte inzet van therapieconcepten, transdisciplinariteit, ADL situaties, individuele versus groepstherapie, normaliteit).

Anderzijds is de juiste therapeutische aanpak van de neuropsychologische problematiek, van het gedrag en van de emoties van zeer groot belang. We passen o.a. principes toe vanuit de cognitieve gedragstherapie zoals structureren, visualiseren, negeren, afleiden en positief bekrachtigen, naast een empathische, respectvolle benadering en het gericht stimuleren van de communicatie en van het probleemoplossend denken.

Voor de opbouw van de revalidatie wordt steeds uitgegaan van de specifieke mogelijkheden en beperkingen van de cliënt zelf. Dagelijks wordt voor elke cliënt een individueel therapie- en activiteitenprogramma opgesteld dat afgestemd is op zijn individuele doelstellingen, zijn eigen mogelijkheden en beperkingen, zijn wensen en noden en zijn toekomstperspectief.

Dit programma kan zowel individuele als groepsactiviteiten omvatten, naast de opvang in de leefruimte. (1.4.2, 3.2) Dit programma staat gevisualiseerd in het therapieplan. (cfr infra 1.2.3)

We brengen ook via onderzoek en observatie problemen van de cliënt in kaart. Op basis van deze “diagnostiek” en mede op basis van wensen, noden, behoeften en toekomstperspectieven van de cliënt en zijn familie worden (therapeutische) doelstellingen opgesteld. We inventariseren de mogelijkheden en beperkingen van onze cliënten aan de hand van het ICF-model. Op basis van dit model kunnen we gerichte doelstellingen bepalen. Omdat we zeer cliëntgericht werken, wordt jaarlijks in een cliëntbespreking besproken welke therapeutische concepten aangewend kunnen worden om deze doelstellingen te kunnen bewerkstelligen, welke vorderingen gemaakt worden,….  (1.1, 1.4.2, 3.2) (cfr. opvolging van de zorgverlening beschreven in het document ‘Het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijsturen van het zorgverleningsplan’).(3.2, 4.1, 4.2)

Om de toepassing van het therapeutisch concept te optimaliseren en de transdisciplinariteit te realiseren worden, op voorstel van de coördinatoren of op vraag van de therapeuten, theoretische en/of praktische workshops (met of zonder cliënten en hun families) georganiseerd.(3.3, 4.1, 4.2)

3.1.3.  Familiebegeleiding

De familiebegeleiding is uiteraard een zeer belangrijke pijler in onze werking, want niet alleen de cliënt werd zwaar getroffen door het hersenletsel, ook zijn familie lijdt. Vandaar dat de familie onze zorg, begeleiding en respect verdient.

Onze familiebegeleiding heeft enerzijds als doel de draaglast van de families te verminderen en het haalbaar te maken of te houden dat hun familielid met een NAH thuis verblijft. Door de opvang van hun getroffen familielid in het dagcentrum creëren we voor de familie de psychische en materiële ruimte om eens een dagje, zonder die continue aandacht en zorg, het huishouden te kunnen doen of te gaan winkelen, te gaan werken of gewoon te ontspannen …

Anderzijds beogen we het verhogen van de draagkracht van de families door counseling en door psycho-educatie. (1.4.1, 1.4.2, 3.3)

We willen van de familie echter geen therapeuten maken, maar willen wel hun inzicht in de problematiek verruimen en daardoor hun omgang met hun familielid met een NAH vergemakkelijken. Deze psycho-educatie kan gebeuren zowel door het aanbieden van informatiesessies rond de NAH-problematiek, door workshops alsook door individuele gesprekken met de cliënt / familie (1.1) naar aanleiding van een voorafgaande cliëntbespreking (cfr Opvolging zorgverlening).

Concrete vragen of problemen worden geïnventariseerd en indien nodig behandeld in afzonderlijke workshops. (3.3) Hierin kunnen aan de familie bepaalde technieken worden aangeleerd (bijvoorbeeld een ergonomisch verantwoorde transfer of eten geven bij slikproblemen.) en hebben we de mogelijkheid om dieper in te gaan op praktische problemen in de dagelijkse omgang met de cliënt. Tevens bieden deze familieworkshops de mogelijkheid om meer achtergrondinformatie te geven over het therapeutisch concept toegespitst op de individuele cliënt.

In dit kader begeleiden we ook het netwerk van mantelzorgers en de professionele thuiszorg. We hebben regelmatig contact of organiseren netwerkvergaderingen rond een cliënt.

Daarnaast zijn individuele (counseling)gesprekken, op momenten wanneer het moeilijk gaat, steeds mogelijk.

Ook gesprekken met lotgenoten kunnen zeer zinvol zijn. Het dagcentrum biedt contactmogelijkheden tussen de families onderling; enerzijds omdat we activiteiten of bijeenkomsten organiseren, anderzijds omdat er nog een aantal families zelf instaan voor het vervoer naar het dagcentrum. Deze contacten van de families onderling hebben zowat de functie van een zelfhulpgroep.

De dagelijkse communicatie wordt gegarandeerd door het onthaal ’s morgens en de uitzwaai ’s avonds en door het dagboek dat meegegeven wordt voor personen met ernstige geheugendeficiten of taal- en spraakproblemen. (1.4.2, 1.4.7)

3.1.4.  Maatschappelijke participatie en (re-)integratie (2.1)

Een belangrijke voorwaarde voor maatschappelijke integratie is het goed hanteren van de regels van sociale interactie en een zo optimaal mogelijke communicatie. Vaak hebben personen met een (frontaal) hersenletsel hiermee problemen. Ze reageren te impulsief of agressief, kunnen bij een gesprek geen beurt afwachten, weten niet meer goed wat past of niet past, houden geen voldoende afstand t.o.v. iemand, zijn heel egocentrisch in hun perceptie en in hun gedrag, stellen grensoverschrijdend gedrag, enz. (1.4.1)

In het dagdagelijkse samenleven in het dagcentrum komen deze aspecten van sociaal-emotioneel gedrag en communicatie duidelijk aan bod en zijn zelfs een bijzonder aandachtspunt in de groepsactiviteiten / therapieën zoals in de redactieraad, de wekelijkse gespreksgroepen, de communicatiegroep, creatieve therapie, …. waar expliciet aan aspecten van taal, spraak en communicatie en psychosociale vaardigheden wordt gewerkt.

Echter ook door middel van individuele therapieën wordt aan maatschappelijke integratie gewerkt: bijvoorbeeld in individuele psychotherapie en gesprekken of in logopedie bv. voor het normaliseren van de mimiek of voor articulatietraining. Mimiek en articulatie zijn namelijk een belangrijke voorwaarde tot communicatie, tot ‘aangesproken’ worden.(1.4.2)

Via de ervaringen en contacten in het dagcentrum wordt door vele cliënten de stap naar de buitenwereld terug gezet. Er wordt opnieuw ‘geparticipeerd’ in die maatschappij: er wordt gewinkeld, het openbaar vervoer wordt gebruikt, er wordt therapie gegeven in het gemeentelijk zwembad, in het plaatselijk wellnesscentrum, fitnesscentrum, hippocentrum of begeleid werk. Er worden ‘integratieprojecten’ georganiseerd met leerlingen van secundaire scholen, of er worden bezoeken gepland met organisaties of met vrijwilligers. (2.1)

We zijn ook niet gehuisvest in een geïsoleerde buurt, maar wel midden in de gemeente Buggenhout met een vlotte bereikbaarheid van het openbaar vervoer, winkels, horecazaken en sportinfrastructuur.

Verder menen we ook een opdracht te hebben op het vlak van informatieverstrekking, sensibilisering en primaire preventie i.v.m. de problematiek van NAH. Dat is ook de reden waarom we zoveel mogelijk de media engageren, informatiesessies organiseren of projecten met jongeren uitwerken.

 3.2.  Therapeutische uitgangspunten (1.4.1, 1.4.2)

Binnen ons zorgverleningsconcept vertrekken we steeds vanuit de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt zelf. We hanteren een aantal therapeutische uitgangspunten die mede de bouwstenen en het cement van onze pijlers vormen.

3.2.1.  Eclectische en doelgerichte inzet van therapeutische concepten

We gaan ervan uit dat, omwille van de complexiteit en heterogeniteit van de doelgroep, er een specifiek therapeutisch kader nodig is.

We werken volgens de therapeutische principes die het best aansluiten bij de mogelijkheden en beperkingen van de cliënten zelf.

De verschillende teamleden beheersen de basisprincipes van de verschillende concepten. Zo garanderen we een continuïteit in onze therapeutische begeleiding.

Bovendien zet iedere therapeut binnen dit therapeutisch kader vanuit zijn specifieke opleiding zijn eigen accenten en geeft hierdoor een meerwaarde aan het concept.

We geven een korte omschrijving van de verschillende concepten die aangewend worden in ons dagcentrum:

  • Affolter: via führen en het aanbieden van tactiele informatie wordt getracht zowel de motoriek als de neuropsychologische aspecten zoals bv. waarneming, hypothesevorming, planning, organisatie en taal te verbeteren.
  • Bobath: is gebaseerd op de analyse van de normale beweging en op de normale ontwikkeling. Er wordt via facilitatie gestreefd naar een optimalisatie van de beweging en een normalisatie van de tonus.
  • Coombes: principes van deze ‘facio-orale tract therapie’ (FOTT) – aanleunend bij het Bobath concept – waarbij het slikken en de mimiek centraal staan, worden toegepast bij de voorbereiding op het eten en bij de etensbegeleiding. Er wordt ook door mobilisatie van de larynx, door het stabiliseren van de tong en door tonusnormalisering van het weke verhemelte en van het hoofd-hals gebied gewerkt aan de normalisering van het spreken (fonetiek, articulatie, coördinatie van het ademen en het spreken).
  • Active reviewing: of ervaringsleren is een wijze van leren waarbij de lerende zelfzich actief engageert in het exploreren van voor hem zinvolle en relevante vragen. De lerende is deel-nemer, maakt zelf zijn proces mee, (co-)construeert samen met de begeleider en anderen in de groep, zijn referentiekaders én gedragsmogelijkheden die niet alleen momenteel maar ook in de toekomst relevant zijn om te leven in de maatschappij waarvan hij deel uit maakt (Gass, 1993).
  • Breinbreker: is een programma waarin psycho-educatie en oefeningen ter verbetering van sturings- en emotionele zelfreguleringsvaardigheden de rode draad vormen. We passen de handleiding toe die de belangrijkste ondersteuningsprincipes beschrijft en een grote hoeveelheid materialen bevat voor zowel de assessment als de ontwikkeling van cognitieve en emotionele vaardigheden.
  • Hooi op je vork: is een specifiek model voor het begeleiden van mensen met NAH. Het biedt een kader om met elkaar in gesprek te komen, zaken op een rij te plaatsen en stappen in de gewenste richting te zetten. Hooi op je vork bestaat uit twee fasen: Ontdekken (beeldvorming) en Ontwikkelen (werken met doelen). In de fase Ontdekken wordt informatie verzameld over de persoon (wie is hij, wat kan hij, wat wil hij) en over het leven (hoe was het vroeger, hoe is het nu, wat wil de persoon). In de fase Ontwikkelen worden wensen uitgewerkt in een actieplan, met concrete doelen.

Deze therapeutische concepten worden aangewend in de dagelijkse werking en geïntegreerd in het grote aanbod activiteiten:

  • Grensverleggende projecten: worden zowel op vaste basis (wekelijkse adventure therapie) als sporadisch aangeboden om het zelfvertrouwen, het zelfbeeld en ‘het kunnen’ (fysiek en mentaal) te verbeteren. Dit kan zijn muurklimmen, deelnemen aan de bosmarathon, 10.000-stappenproject, …
  • Bewegingsstimulatie: hydrotherapie, hippotherapie, sport- en bewegingsgroepen, Sherborne, fitness, …
  • Neuropsychologische therapiesessies: vertelproject, creatieve therapie, adventure therapy, educatieve spelen, psycho-educatie rond seksualiteit en intimiteit, …
  • Stimulatie en ontplooiing van creativiteit: creasessies, fotoproject, hand- en weefwerken, houtbewerking, …
  • Taal- en communicatie projecten: redactie van het tijdschrift “Einder”, afasiegroep, actua en communicatie, tabletgebruik, …
  • ADL: ergotherapie, kookproject, tuin- en klusprojecten, …

3.2.2.  Transdisciplinaire setting(3.3)

Het transdisciplinair werken kadert in een holistische visie. We werken niet in aparte vakjes, maar benaderen onze cliënt in zijn totaliteit. De problematiek van de persoon met een NAH is trouwens altijd én in zijn geheel aanwezig en is niet te reduceren tot een afzonderlijk geheugenprobleem of tot een motorisch- of een taalprobleem… waaraan geïsoleerd kan gewerkt worden.

Dit betekent dat elke therapeut zijn eigen discipline moet overstijgen. De logopedist doet meer dan aan taal werken, de kinesist doet meer dan aan de motoriek werken, een opvoeder doet meer dan gewoon verzorgen of activiteiten aanbieden.

Elke therapeut werkt, bij individuele begeleidingen, volgens de therapeutische principes die bij die cliënt de meeste mogelijkheden biedt. Via interne workshops en coaching worden deze therapeutische principes aangeleerd.

Elke therapeut legt echter vanuit zijn specifieke opleiding zijn eigen accenten en geeft hierdoor een meerwaarde aan het concept en de werking.

In een dergelijke transdisciplinaire setting kan iedere therapeut, gelijk welk probleem dat zich aandient, therapeutisch begeleiden, ook wanneer hij volgens klassieke denkkaders strikt genomen niet de eindverantwoordelijkheid heeft voor deze problematiek. Zo zal evenzeer een logopediste met een cliënt op een therapeutisch verantwoorde wijze naar het toilet stappen en een goede transfer met de cliënt doen, hoewel ogenschijnlijk de motoriek het domein is van de kinesitherapeut of de zelfredzaamheid het domein van de ergotherapeut.

Doordat problemen behandeld worden op het moment dat deze zich ook als probleem aandienen, verhogen we uiteraard de efficiëntie van de behandeling en is de kans op generalisatie naar andere ADL situaties groter.(1.4.2)

3.2.3.  Werken in ADL-situaties

In ons concept worden functies niet analytisch opgetraind. We werken in ADL- situaties: de activiteiten van het dagelijks leven.

Elke activiteit is doelgericht: we stappen niet de gang een paar keer op en af, maar we stappen naar het toilet of naar de koelkast. We buigen geen tien keer door onze knieën, maar rapen het onkruid op bij het wieden. We gaan geen prenten benoemen, of rijen woorden herhalen, maar we gebruiken taal in een zinvolle context.

Zowel in de gewone dagdagelijkse activiteiten zoals koken, strijken, tuinieren, timmeren, creatief bezig zijn als in allerhande transfers en bij nursingactiviteiten (zoals toiletbezoek, verzorging, eten geven, tanden poetsen) kunnen de ABC-principes worden toegepast.

Het gaat dus over een doelbewuste ‘therapeutische’ ingesteldheid, over een gepaste, therapeutische omgang met onze cliënten met een NAH in doodgewone situaties.

In de activiteiten van het dagelijks leven (ADL) komen heel veel aspecten van de revalidatie aan bod:

  • motorische aspecten zoals staan en stappen, bukken, iets oprapen, grijpen, transporteren, loslaten, fijne motoriek en bimanueel werken, het verbeteren van een transfer, normalisatie van de tonus, mobilisatie van het zenuwstelsel, … (aspecten van kinesitherapie en ergotherapie).
  • kauwen en slikken, mimiek, spontane taal- en spraakproductie (aspecten van logopedie)
  • waarneming, planning, geheugen, concentratie, gedragsregulatie en frustratietolerantie (aspecten van de neuropsychologie).

Door het werken in ADL-situaties wordt de generalisatie naar de ‘niet-therapie-situatie’ bevorderd. Het grote probleem in de klassieke revalidatie is namelijk dat het toepassen van het geoefende, het ‘geleerde’, in de alledaagse situatie niet of moeilijk plaatsvindt. In ons concept vertrekken we juist vanuit deze alledaagse situatie en trachten hierdoor een appel te doen op de vroeger opgeslagen (motorische) programma’s en probleemoplossende strategieën. We proberen de hypothesevorming en het probleemoplossend denken te stimuleren, eerder dan het stereotiep ‘trainen’ van vaardigheden en functies.

3.2.4.  Individuele therapie versus groepstherapie

Als aanbod kiezen we voor zowel individuele therapiemomenten als groepssessies.

Door individueel te werken kunnen we gericht werken aan specifieke vragen en noden van de cliënt zelf; kunnen we de activiteit beter afstemmen op het kennen en kunnen van de cliënt en kunnen we de cliënt zelf laten handelen.

De therapeutische doelstellingen van groepstherapieën liggen echter op andere terreinen, namelijk op vlak van socialisatie, regulatie van gedrag en emoties, communicatie, stimuleren van het zelfwaardegevoel en psychisch welbevinden.  (1.4.1, 1.4.2.)

3.2.5.  Nastreven van normaliteit

Kenmerkend voor personen met een NAH is het feit dat zij beschikken over ‘normaal opgeslagen ervaringen’. Het is onze bedoeling om via therapeutische begeleiding terug bij deze opgeslagen informatie te komen.

We streven er dus naar om dagdagelijkse activiteiten op de normale manier uit te voeren en niet te snel compensaties in te bouwen. Om de zelfstandigheid te verhogen, wordt wel bekeken of bepaalde hulpmiddelen dienen ingeschakeld te worden.

Via activiteiten proberen we bij de vroegere opgeslagen (motorische) ervaringen en oplossingstrategieën te komen en kunnen zodoende de cliënten deze activiteiten op een zo normaal mogelijke manier ZELF uitvoeren. Zij moeten zelf, hand op hand begeleid, de deur openen, een kraan opendraaien, zelf hun eten aan het buffet halen, de trap gebruiken en geen lift, naar het toilet stappen of rolstoeltrippelen en niet in een rolstoel daar naar toe gereden worden. We halen bijna iedereen uit de rolstoel om zoveel mogelijk te stappen. Niemand (tenzij tegengeïndiceerd) zit in zijn rolstoel aan tafel.

Dit vraagt een gericht inzetten van personeel. Vaak moet men met twee therapeuten zijn om bv. te stappen met een cliënt of een transfer te doen.

We buiten, bij manier van spreken, elke situatie therapeutisch uit. Zo creëren we heel veel therapeutische momenten op een dag. Dit verzekert de intensiteit en de continuïteit van de revalidatie.

Tevens versterkt deze manier van werken het zelfwaardegevoel van de cliënt (zij hebben ZELF gehandeld!) Het geeft een meerwaarde om ‘zo normaal mogelijk te doen’.

Bovendien wordt op deze manier de generalisatie naar externe situaties mogelijk, zodat ook de kans op integratie vergroot. (1.4.2, 2

 3.3.  Concrete uitwerking van het concept: het therapieplan

Dagelijks wordt voor elke cliënt een individueel therapie- en activiteitenprogramma opgesteld dat afgestemd is op:

  • de doelstellingen zoals bepaald bij het opstellen en evalueren van het individueel zorgverleningsplan
  • zijn eigen mogelijkheden en beperkingen
  • zijn interesses, wensen, noden en toekomstperspectief (worden individueel bevraagd).

Dit programma bevat zowel individuele als groepsactiviteiten, naast de opvang in de leefruimte. (1.4.2, 3.2) Dit programma staat gevisualiseerd in het therapieplan.

We beschrijven kort de praktische organisatie van het therapieplan

3.3.1.  Opvang en begeleiding in de ‘pool’

  • cliënten die geen individuele of groepstherapie hebben vertoeven in de leefruimte. We noemen dit ‘de pool’. Dit is een verzamelplaats van waaruit cliënten vertrekken naar andere plaatsen / activiteiten. Het therapieplan bevindt zich tevens in de pool.
  • de begeleiding in de pool gebeurt door 1 medewerker die enerzijds de cliënten ter plekke opvangt, begeleidt en verzorgt en anderzijds de uitvoering van het therapieplan opvolgt. Ook het invullen van de dagboeken is voor de begeleiders een belangrijk aandachtspunt.
  • extra hulp en begeleiding van cliënten wordt geboden door stagiairs en vrijwilligers.
  • waar mogelijk worden, ook bij de activiteiten in de pool, therapeutische klemtonen gelegd:
    • het drinken van koffie of water, de toiletbegeleiding en verzorging worden expliciet gepland gedurende de opvang in de pool. De ABC-principes worden hier, zoveel als mogelijk, toegepast bij het slikken, het stappen, rolstoeltrippelen, transfers, bij nursingactiviteiten (zoals toiletbezoek, verzorging),….
    • rolstoelgebruikers worden in de standing geplaatst om de zwaartekracht zijn werk te laten doen. Dit is belangrijk voor de oprichting en tegen osteoporose
    • rolstoelgebruikers met spasticiteit of hemiplegie worden in de motomed geplaatst. Zij worden bewogen door dit trapapparaat dat zich automatisch aanpast aan de spasticiteit. Dit is naast ‘het bewegen’ o.a. belangrijk voor de peristaltiek van de darmen in geval van constipatie
    • cliënten worden, bij rust in bed, volgens Bobath-principes, getransfereerd en ge
    • daarnaast heeft elke cliënt een eigen map van pool-activiteiten, opgesteld door de verantwoordelijke therapeut. Een vrij moment kan zinvol ingevuld worden adhv deze map, bv. cognitieve oefeningen, ergometer, …
    • er worden bv. gezelschapsspelen gedaan met vrijwilligers of stagiairs
    • of er wordt gewoon rustig genoten van het sociaal gebeuren in de pool.

3.3.2.  Individuele therapie en begeleiding

In gewone dagdagelijkse activiteiten en ook tijdens de nursingactiviteiten (eten geven, toiletbezoek en verzorging, tanden poetsen, in bed leggen) worden de eerder genoemde therapeutische uitgangspunten toegepast (eclectische en doelgerichte inzet van therapieconcepten, transdisciplinariteit, ADL situaties, 1-1 relatie, normaliteit).

  • Op vraag van de cliënt/familie of verantwoordelijke therapeut, kunnen individuele therapieën opgestart worden, waarin aan een specifieke vraag of nood wordt gewerkt.

Hierbij worden zowel de motorische als de neuropsychologische aspecten (hypothesevorming, probleemoplossend denken, verbaliseren na een individuele activiteit, psychosociale vaardigheden e.d.) gestimuleerd en geoefend.

  • mogelijke (paramedische) therapieën zijn:
  • specifieke kinesitherapie voor de mobilisatie van het centraal zenuwstelsel
  • specifieke logopedie: vb. articulatietraining, ademhalings- of stemoefeningen
  • psychotherapie en counseling.
  • De frequentie van de individuele begeleidingen hangt af van het beschikbare aantal therapeuten / begeleiders / vrijwilligers / stagiairs.

3.3.3.  Groepsactiviteiten

  • In het therapieplan staan verschillende mogelijke groepen geprogrammeerd: er zijn de gespreksgroep, een redactieraad, een actuagroep, taalgroepen, de communicatiegroep, een kookgroep, creagroepen, sportgroepen (zwemmen, fitness, (rolstoel)dansen), kook- en klusgroepen, een wellness- en sensogroep, …
  • De therapeutische doelstellingen situeren zich op vlak van motoriek, aspecten van gedrag en emoties, sociale interactie, taal en communicatie.

Een dergelijk concept kan pas uitgewerkt worden met een maximale en optimale inzet van personele middelen in functie van de cliëntbegeleiding.

Vandaar dat er vanuit het beleid geopteerd werd voor:

  • een structuur, waarbij ook de teamcoördinator deeltijds mee op de werkvloer staat
  • het deeltijds inschakelen van de logistiekers in het therapieplan
  • waar nodig het inzetten van de psychologe voor etensbegeleiding en verzorging en voor de begeleiding via counseling- en adviesgesprekken van cliënten / families
  • inschakelen van een zelfstandige kine (in nomenclatuur)

Bovendien zetten we daarnaast extra begeleiding in:

  • vrijwilligers